Naar hoofdinhoud

Een brede coalitie van brancheorganisaties uit de recycling‑ en afvalsector, waaronder de Nederlandse Vereniging van Procesmatige Grondreinigingsbedrijven (NVPG), heeft de Tweede Kamer opgeroepen de aangekondigde lastenverzwaring van € 567 miljoen voor de sector te heroverwegen. In aanloop naar het debat over de Voorjaarsnota 2026 waarschuwen de organisaties voor ernstige gevolgen voor recycling, circulariteit en het investeringsklimaat in Nederland.

Aanleiding is het besluit van het kabinet om de eerder voorgestelde plasticheffing te schrappen en de budgettaire dekking te zoeken bij afvalverbranding en -storten. De Tweede Kamer heeft hier in november 2025 met de breed gesteunde motie‑Stultiens c.s. expliciet een stokje voor gestoken. In de motie wordt gesteld dat deze aanpak leidt tot minder recycling in Nederland, meer export van afval, verlies van verwerkingcapaciteit, banen en grondstoffen en vertraging van CO₂‑reductie.

De sector constateert dat het kabinet heeft aangekondigd de inhoudelijke besluitvorming door te schuiven naar Prinsjesdag. Volgens de brancheorganisaties staat dit haaks op de wens van de Kamer en zorgt dit voor grote onzekerheid in een sector die juist nu voor belangrijke investeringsbeslissingen staat.

Grote risico's voor circulariteit

De extra heffingen raken niet alleen restafvalverwerking, maar verhogen ook de kostprijs van recycling. Recyclingstromen bevatten onvermijdelijk een niet‑recyclebaar deel (gemiddeld circa 25%) dat moet worden verbrand of gestort. Extra lasten op die verwerkingsroutes verslechteren de concurrentiepositie van Nederlands recyclaat, ten opzichte van zowel primaire grondstoffen als buitenlandse verwerkers.

Daarmee dreigt een verplaatsing van afvalstromen, investeringen en werkgelegenheid naar het buitenland. Dit ondermijnt niet alleen de circulaire economie, maar ook de strategische autonomie van Nederland als het gaat om de beschikbaarheid van secundaire grondstoffen.

Realistische alternatieven

In een bijlage bij de brief aan de Kamer hebben de brancheorganisaties concrete alternatieve dekkingsopties uitgewerkt. Deze voorstellen verschuiven de fiscale prikkel van de ‘achterkant’ van de keten (afvalverwerking) naar de ‘voorkant’ (productie en gebruik van primaire grondstoffen), en sluiten beter aan bij circulaire doelstellingen. Volgens de sector kan met deze maatregelen ruimschoots dezelfde of zelfs een hogere budgettaire opbrengst worden gerealiseerd, zonder het Nederlandse recyclingsysteem te verzwakken.

Oproep om sector te betrekken

De gezamenlijke brancheverenigingen, waaronder de NVPG, roepen de Kamer op om bij de behandeling van de Voorjaarsnota scherp toe te zien op de uitvoering van de motie‑Stultiens. Daarnaast vragen zij om de sector en de Kamer ruim vóór Prinsjesdag te betrekken bij de keuzes die het kabinet wil maken.

NVPG: hogere stortbelasting remt bodemsanering en woningbouw

In een eerder verzonden brief gaf de NVPG aan dat de voorgenomen budgettaire opgave voor de grondreinigingssector zal leiden tot hogere lasten op verbranden en storten dat onvermijdelijke reststromen zwaarder worden belast, met hogere kosten voor bodemsanering en vertraging van herontwikkeling en woningbouw tot gevolg. Daarmee worden juist activiteiten geraakt die essentieel zijn voor circulariteit, CO₂‑reductie en het beschikbaar maken van bouwlocaties.

Op 1 april 2026 vond de Kick-offbijeenkomst van het programma Kennis- en Innovatieplatform (KIP) PFAS Bodem plaats. Tijdens deze dag gingen bestuurders, experts, kennisinstellingen en marktpartijen met elkaar in gesprek over de urgente maatschappelijke opgave rondom PFAS in bodem, grondwater en oppervlaktewater.

In twee rondes break-out sessies werd verdiepend gesproken over:

Deze brede programmering liet zien dat PFAS geen enkelvoudig probleem is, maar een systeemvraagstuk dat vraagt om samenhangende oplossingen.

Positie NVPG: grondreiniging als schakel in de oplossing

Vanuit het perspectief van het bedrijfsleven werd de belangrijke rol van procesmatige grondreiniging onderstreept. De Nederlandse Vereniging van Procesmatige Grondreinigingsbedrijven (NVPG) vertegenwoordigt bedrijven die verontreinigde grond en sediment – waaronder PFAS-houdende grond – op doelmatige en milieuverantwoorde wijze reinigen. Door technieken zoals extractieve en thermische reiniging kunnen aanzienlijke delen van PFAS-verontreinigde grond worden teruggewonnen voor hergebruik, in plaats van definitieve afvoer naar stort. Daarmee leveren NVPG-leden een aantoonbare bijdrage aan:

Tegelijkertijd vraagt de sector aandacht voor heldere en werkbare regelgeving, ruimte voor experimenten en vlotte vergunningverlening, zodat bewezen reinigingstechnieken ook daadwerkelijk kunnen worden ingezet voor reinigen van PFAS-verontreinigde grond.

Opbrengst en vervolg

De opbrengsten van de dag zijn gezamenlijk geduid en vormen de basis voor de verdere uitwerking van de Kennis- en Innovatie Agenda PFAS Bodem. Waar mogelijk zal de NVPG en/of haar leden een bijdrage leveren aan concrete innovatieprojecten die praktijk en beleid dichter bij elkaar brengen.

De Nederlandse recyclingsector is bezorgd over de naderende invoering van onderdelen uit de herziene Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA). Per 21 mei 2026 moeten alle grensoverschrijdende afvaltransporten worden aangemeld in een nieuw Europees systeem: DIWASS. Dat systeem moet digitalisering en transparantie bevorderen, maar vormt op dit moment vooral een bron van onzekerheid. DIWASS is immers nog niet operationeel waardoor bedrijven er dus nog helemaal niet mee werken kunnen.

Op 27 maart 2026 spreekt de Europese Commissie met de lidstaten en andere betrokken partijen over de komende wijzigingen. Voor veel bedrijven voelt dit als een laatste kans om de knelpunten rond DIWASS en de herziene EVOA in Brussel onder de aandacht te krijgen. Diverse brancheverenigingen, waaronder de NVPG, doen een klemmend beroep op het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat om krachtig te pleiten voor oplossingen die werkbaar zijn in de praktijk.

Onrealistische eisen

Naast het ontbreken van een werkend systeem is er een tweede knelpunt dat de sector grote zorgen baart. De DIWASS schrijft voor dat meldingen voor zogenoemde Bijlage‑VII transporten twee dagen vóór vertrek moeten worden ingediend. Wie bekend is met de dynamiek van de sector, weet dat dit niet aansluit bij de dagelijkse realiteit. Afvalstromen ontstaan vaak onverwacht en worden soms nog dezelfde dag opgehaald. Transporten worden regelmatig aangepast op basis van beschikbare ruimte of nieuwe inzameling. En wanneer een ontvangende locatie een vracht afkeurt, moet die eenvoudigweg direct terug en niet pas twee dagen later.

Onvoldoende voorbereiding

Bedrijven kunnen nog geen DIWASS‑account aanmaken, waardoor implementatie in de bedrijfsvoering onmogelijk is. Daarnaast werkt de Inspectie Leefomgeving en Transport, die toezicht moet houden op de nieuwe regelgeving, nog met een voorlopige testomgeving. De verplichting dat straks álle bij het transport betrokken partijen - dus ook bedrijven die niets met afvalregelgeving van doen hebben - een DIWASS‑account moeten hebben, maakt de situatie extra ingewikkeld. In de praktijk ontstaat zo een ketenafhankelijkheid die in veel gevallen niet kan worden georganiseerd zolang het systeem niet beschikbaar is.

Ongewenste situatie

Als de regels ongewijzigd in werking treden, dreigen logistieke blokkades en stilvallende bedrijfsprocessen. Dat levert niet alleen economische schade op, maar zorgt er ook voor dat meer afval richting verbranding of stort gaat, simpelweg omdat transporten niet tijdig kunnen worden gemeld. Dat staat haaks op de ambities van zowel Nederland als de Europese Unie om hoogwaardige recycling te stimuleren en de circulaire economie te versterken.

Voorstellen

In de brief vragen de brancheorganisaties daarom om twee concrete aanpassingen:

Als de Europese Commissie op 27 maart 2026 geen tegemoetkoming biedt, vraagt de sector het ministerie om nationaal maatwerk, bijvoorbeeld in de vorm van het eerste jaar niet handhaven op deze onderdelen.

De boodschap van de sector is helder: digitalisering kan waardevol zijn, maar alleen wanneer systemen aansluiten op de praktijk en bedrijven de tijd krijgen om ermee te leren werken. De recyclingketen draait op snelheid, flexibiliteit en samenwerking. Dat mag niet stilvallen door regelgeving die in theorie logisch lijkt, maar in de praktijk tot onuitvoerbare situaties leidt. Met nog minder dan twee maanden te gaan is duidelijk dat er snel duidelijkheid nodig is. De sector hoopt dat het gesprek op 27 maart 2026 leidt tot oplossingen die ruimte bieden voor een realistische invoering, zodat recyclingbedrijven kunnen blijven doen waar ze goed in zijn: grondstoffen terugwinnen en bijdragen aan een circulaire economie.

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft gemeenten in een brief aangegeven dat ze moeten stoppen met het opnemen van generieke lokale regels die de toepassing van thermisch gereinigde grond (TGG) en andere secundaire bouwstoffen beperken, wanneer deze aantoonbaar voldoen aan de landelijke toepassingsregels. Gemeenten die dergelijke regels al in hun omgevingsplan hebben opgenomen, moeten deze binnen één jaar na inwerkingtreding van het Circulair Materialenplan (CMP) aanpassen.

Volgens het ministerie van IenW zijn er in 2025 diverse lokale regels verschenen die zonder nadere onderbouwing beperkingen opleggen aan het hergebruik van onder meer thermisch gereinigde grond. In veel gevallen is sprake van generieke verboden of vergunningplichten. Een dergelijke generieke beperking op lokaal niveau belemmert onnodig de afzet van secundair materiaal dat wel voldoet aan de van toepassing zijnde kwaliteitseisen en leidt bovendien tot een ongelijk speelveld binnen Nederland. Generieke lokale regels zijn, aldus het ministerie, niet de bedoeling. Dit is in strijd met de generieke toepassingseisen in het Besluit activiteiten leefomgeving en het CMP. Maatwerk is alleen aan de orde in specifieke situaties waar bijzondere bescherming nodig is.

Oproep IenW sluit naadloos aan bij oproep NVPG

De oproep van IenW sluit aan bij het pleidooi dat de NVPG het afgelopen jaar heeft gevoerd. In haar inspraakreactie op het ontwerp‑CMP waarschuwde de NVPG al voor de toenemende trend dat gemeenten in hun omgevingsplan een vergunningplicht of zelfs verbod opnemen voor de toepassing van (thermisch) gereinigde grond. Ook wees de NVPG op andere beperkende maatwerkregels, zoals het voorschrijven dat uitsluitend gebiedseigen grond van klasse industrie mag worden toegepast. De NVPG gaf daarbij aan dat een goed functionerende afzetmarkt voor grondreinigingsproducten essentieel is voor de circulaire economie. Wanneer lokale overheden generieke belemmeringen opwerpen, komt deze afzetmarkt onder druk te staan. Een goed functionerende afzetmarkt is essentieel voor circulair grondgebruik.

Nederland kan het zich niet veroorloven om gereinigde grond niet her te gebruiken in de circulaire economie. Daarom zetten leden van de NVPG zich dagelijks in om grond te reinigen zodat deze herbruikt kan worden.

Maandag 2 maart 2026 organiseerde de NVPG een informatiebijeenkomst voor haar leden over de ervaringen met het opstellen van een Vermijdings‑ en Reductieprogramma’s (VRP) voor Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS).

Tijdens de bijeenkomst stond de praktische uitvoering van de ‘VRP‑verplichting’ en de toepassing van de regelgeving rondom ZZS binnen de bedrijfsvoering van onze leden centraal. De NVPG ziet het als haar taak om informatie-uitwisseling te organiseren over onderwerpen die voor de sector relevant zijn, en dit thema bleek voor veel bedrijven actueel.

ZZS-regelgeving

Tijdens de bijeenkomst werd een toelichting gegeven op de relevante ZZS‑regelgeving. Daarbij kwamen de rechtstreeks werkende voorschriften uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal, paragraaf 5.4.3) aan de orde, die ook van toepassing zijn voor grondreinigingsbedrijven. Daarnaast is ingegaan op ZZS‑voorschriften die in de omgevingsvergunningen van onze leden zijn opgenomen of door ambtshalve wijziging worden opgenomen. Ook de informatieplicht ZZS op grond van artikel 10 van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen, die sinds 1 juli 2025 geldt, is besproken.

Vermijdings- en Reductieprogramma

Er is een toelichting gegeven op de eisen die in het Bal worden gesteld aan het VRP. Een VRP moet inzicht geven in de emissies van ZZS naar lucht en water en moet eens per vijf jaar worden geactualiseerd. Bij het opstellen van een VRP wordt een stappenplan gevolgd dat kortweg bestaat uit het beschrijven van de emissiesituatie, het onderzoeken van bronaanpak en reductiemethoden, het uitvoeren van een immissietoets en het vastleggen van maatregelen die volgens de SMART‑methodiek moeten worden geformuleerd.

Grondreinigingsbedrijven

Voor grondreinigingsbedrijven heeft het VRP voor ZZS een specifieke en complexe betekenis. Hoewel het VRP in de regelgeving vooral lijkt te zijn ontwikkeld voor productieprocessen, vallen grondreinigingsbedrijven onder dezelfde verplichtingen. Dit maakt het toepassen van de VRP‑stappen volgens de standaardmethodiek lastig. Tijdens de bijeenkomst is besproken hoe hier op een praktische wijze mee kan worden omgegaan. Afstemming met de Omgevingsdienst over de opzet en inhoud specifiek voor een grondreinigingsbedrijf wordt aanbevolen.

Branche-VRP

Tot slot bleek uit de bijeenkomst dat veel bedrijven behoefte hebben aan een gecoördineerde of branchebrede aanpak rondom het VRP. Een gezamenlijke basisopzet van het VRP of een richtlijn hoe het VRP op te stellen, kan helpen bij het eenduidig interpreteren van regelgeving en het beter uitleggen van de sectorrealiteit aan het bevoegd gezag. De NVPG gaat dit voor haar leden uitwerken.

De Nederlandse Vereniging van Procesmatige Grondreinigingsbedrijven (NVPG) ziet in het onlangs gepresenteerde coalitieakkoord “Aan de slag – Bouwen aan een beter Nederland” diverse ontwikkelingen die direct van invloed zijn op het werkveld van grondreiniging, circulaire bouwstoffen en duurzaam bodembeheer.

De plannen van D66, VVD en CDA bevatten belangrijke bouwstenen voor de sector, maar brengen ook nieuwe onzekerheden met zich mee.

Kansen voor circulaire bouw- en grondstoffen

Een belangrijk signaal in het coalitieakkoord is de stevige nadruk op klimaatbeleid, duurzame groei en circulaire economie. Met grote investeringen in duurzame energie‑infrastructuur - zoals wind op zee en industriële emissiereductie - ontstaat een omvangrijke projectmarkt waarin gereinigde grond een waardevolle rol kan spelen als secundaire bouwstof. De NVPG ziet hierin kansen om de bijdrage van procesmatige grondreiniging aan de circulaire economie verder te versterken, geheel in lijn met de doelstellingen van de vereniging: het terugbrengen van verontreinigde grond tot hoogwaardige secundaire grond- en bouwstoffen.

Woningbouwopgave stimuleert vraag naar grondreiniging

De ambitie om 30 grootschalige nieuwbouwlocaties van nationaal belang te realiseren draagt bij aan een stevige impuls voor gebiedsontwikkeling. Hierbij is vrijwel altijd sprake van grondverzet, bodemonderzoek en soms bodemsanering. Gereinigde grond kan in dit kader een cruciale rol spelen als duurzame bouwstof.

Omgang met ZZS

Hoewel het coalitieakkoord geen expliciete passages bevat over PFAS en andere ZZS, blijft dit een belangrijk thema binnen de sector. Uit eerdere signalen blijkt dat onduidelijkheid over normstelling en interpretatie grote gevolgen kan hebben voor verwerking en toepassing van gereinigde grond. De NVPG pleit voor een werkbaar normenstelsel dat recht doet aan technologische vooruitgang en een circulaire benadering van grondstromen.

Versnelling vergunningverlening

Het kabinet wil de regeldruk verminderen en procedures rond vergunningverlening versnellen. Zo wordt onder meer ingezet op automatische goedkeuring bij overschrijding van behandeltermijnen. Voor NVPG‑leden, die sterk afhankelijk zijn van tijdige vergunningen voor projecten, kan dit een aanzienlijke verbetering opleveren. Tegelijkertijd is de NVPG van mening dat de kwaliteit van toetsing en juridische zekerheid niet in het gedrang mogen komen.

Grote impact vanuit stikstof- en natuurbeleid

Het kabinet zet fors in op het realiseren van de wettelijke stikstofdoelen richting 2035, inclusief aanvullende maatregelen voor landbouw, industrie en mobiliteit. Deze koers zal gepaard gaan met ingrijpende gebiedsgerichte transities en natuurherstelprojecten. Voor de grondreinigingssector betekent dit een toenemende vraag naar grondverzet, saneringswerkzaamheden en herinrichting van gebieden. Ook de invoering van een nieuw zoneringssysteem rond kwetsbare Natura 2000‑gebieden kan gevolgen hebben voor de toepasbaarheid van gereinigde grond in specifieke zones, wat aandacht vraagt voor duidelijke en uitvoerbare regelgeving.

Per 31 januari 2026 zijn de nieuwe versies van BRL SIKB 7500 'Bewerken van verontreinigde grond en baggerspecie' (versie 6.0) en BRL 9335 'Grond' (versie 4.2) aangewezen in de Regeling bodemkwaliteit 2022. Daarmee zijn de nieuwe versies van de BRL-en per die datum van kracht geworden. Tot 1 juni 2027 kunnen organisaties nog onder de oude versie werken, daarna worden die versies ingetrokken.

De nieuwe versies vloeien voort uit een uitgebreide herziening van protocol 7510 dat toeziet op bewerking/reiniging van grond c.a. en baggerspecie, inclusief een nieuwe wijze van kwalificeren van procesmatig gereinigde grond via het nieuwe protocol 9335-10. Aanleiding was het bieden van nog meer zekerheid aan de aanbieder van verontreinigde grond (ontdoener) en aan de afnemer van gereinigde grond (toepasser), zodat zowel het bewerkingsproces als het bewerkte product voldoen aan de hoge kwaliteitsstandaard van de sector en aan de wet- en regelgeving.

BRL SIKB 7500 en BRL 9335

Om deze zekerheid verder te verhogen is de procescertificering (in BRL SIKB 7500 / protocol 7510) stevig herzien, zowel qua inhoud als qua structuur. Tegelijkertijd wordt het protocol 9335-10 geïntroduceerd dat toeziet op de afgifte van de Milieuverklaring bodemkwaliteit bij bewerkte/gereinigde grond. Dit is dan niet meer mogelijk via de andere protocollen uit de ‘9335-serie’. Als gevolg hiervan moesten ook BRL SIKB 7500, BRL 9335 en de andere 9335-protocollen aangepast worden om zo alle documenten op elkaar te laten aansluiten. In de herziening is tevens het Erratum bij BRL 9335 en onderliggende protocollen verwerkt, zodat de BRL en de protocollen ook weer volledig aansluiten op wet- en regelgeving.

Protocol 7511

In de herziening is protocol 7511, versie 5,1, niet meegenomen. Dit document blijft ongewijzigd. en kan tot 1 juni 2027 nog worden toegepast voor samenvoegen van baggerspecie onder de erkenningsregeling KWALIBO. Na deze datum is dit alleen nog mogelijk onder protocol 9335-1. Vanaf dat moment kan protocol 7511 uitsluitend nog in het private domein toegepast worden, onder andere als kwaliteitsdocument voor het rijpen van baggerspecie.

Reactie NVPG

De NVPG is betrokken geweest bij de herziening van de BRL SIKB 7500 en Protocol 7510 en is blij met de afronding van het proces. Het afronden van het wijzigingsproces van de BRL SIKB 7500 moet rustgeven bij alle partijen. De vernieuwde BRL SIKB 7500 kent inhoudelijke verbeteringen en die zullen bijdragen aan vertrouwen. Vertrouwen in reinigingsproducten vraagt echter meer dan alleen de wijziging van de BRL. Gereinigde grond is een mooi voorbeeld is van circulaire economie. Grond uit een bodemsaneringslocatie is weer herbruikbaar. Voor de NVPG is het cruciaal dat er wederzijds vertrouwen is in de kwaliteitsborging van grondreiniging, onder ontdoeners, afnemers, toepassers, toezichthouders en grondreinigers.

De BRL'en en het Protocol zijn te vinden bij Documenten.

Bron: SIKB

De Nederlandse Vereniging van Procesmatige Grondbewerkingsbedrijven (NVPG) luidt de noodklok over de voorgenomen verhoging van de afvalstoffenbelasting per 2028. In het Belastingplan 2026 stelt het kabinet voor het tarief te verhogen van €39,70 per ton afval naar €90,21 per ton in 2028 en uiteindelijk structureel naar €113,81 per ton vanaf 2035 (prijspeil 2025). De verhoging van de afvalstoffenbelasting zal leiden tot een stagnatie van de woningbouwplannen van het kabinet.

Volgens de NVPG heeft dit voorstel desastreuze gevolgen voor de haalbaarheid van bodemsaneringen en daarmee ook voor de woningbouwopgave in Nederland. Om die reden heeft de NVPG een brief gestuurd naar de Tweede Kamer Commissies Financiën en Infrastructuur en Waterstaat. De voorgenomen verhoging van de stortbelasting zal ertoe leiden dat het ontwikkelen van terreinen met een bodemverontreiniging voor woningbouw economisch niet meer haalbaar is. Dat staat haaks op het kabinetsbeleid om juist de woningbouw te versnellen. Bovendien gaat dit ook dwars in tegen het advies van de Adviesgroep STOER, die juist adviseert om de stortbelasting voor verontreinigde grond af te schaffen.

Bodemsanering essentieel voor woningbouw

Jaarlijks komt er circa 1900 kiloton aan verontreinigde grond vrij. Deze wordt door gespecialiseerde, erkende grondreinigingsbedrijven verwerkt. Zo wordt vervuilde bodem duurzaam gereinigd, kan de grond opnieuw worden toegepast in de circulaire economie en komen verontreinigde terreinen beschikbaar voor maatschappelijke functies zoals woningbouw. De kosten van bodemsanering maken onderdeel uit van de grondexploitatie van woningbouwprojecten. Een forse lastenverzwaring, zoals de verhoging van de stortbelasting, kan ertoe leiden dat herontwikkeling van vervuilde locaties financieel onrendabel wordt. Dit staat volgens de NVPG haaks op het kabinetsbeleid om de komende decennia fors te bouwen.

Kostenstijging in de praktijk

Bij de reiniging van grond ontstaat een residustroom van circa 30%, die verplicht moet worden gestort. Door de belastingmaatregel stijgen de stortkosten met circa €50 per ton residu, wat neerkomt op een kostenverhoging van circa €16,50 per ton te reinigen grond. Bij projecten met 3 m³ vervuilde grond per m² kunnen de saneringskosten oplopen tot bijna €50 extra per m².

De gevolgen zijn extra groot bij het saneren van PFAS-verontreinigingen, waar de residustromen vaak aanzienlijk zijn. Daarmee draagt de belastingverhoging niet bij aan de aanpak van dit milieuprobleem.

Gevolgen onvoldoende onderzocht

De NVPG stelt dat de effecten van de belastingverhoging onvoldoende zijn onderzocht, zowel financieel als beleidsmatig. Ook bij Rijkswaterstaat, verantwoordelijk voor de uitvoering van de “Regeling beoordeling reinigbaarheid grond”, zijn de gevolgen nog niet geëvalueerd. Daarnaast wijst de vereniging erop dat de maatregel voortkomt uit het niet invoeren van de circulaire polymerenheffing. “De recyclingsector wordt zo de melkkoe van de overheid, terwijl juist wordt ingezet op een circulaire economie,” aldus NVPG-voorzitter Hans Boer.

Oproep aan de Tweede Kamer

In de brief aan de Tweede Kamer roept de NVPG Tweede Kamerleden op om:

Brief Tweede Kamer inzake Stortbelasting

De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) vraagt aan gemeenten, provincies, Omgevingsdiensten en Waterschappen aandacht voor naleving van het beleid voor de verwerking van teerhoudend asfalt dat vrijkomt bij renovatie van wegen.

Zoals in de brief verwoordt, houdt dit beleid in dat teerhoudend asfalt wordt afgevoerd nar vergunde bedrijven waar het door middel van thermische behandeling wordt verwerkt zodat het asfalt vervolgens kan worden hergebruikt.

Oproep om TAG te hergebruiken

Het exporteren van TAG ondermijnt het nationale beleid van de circulaire economie. Daarom roept de staatssecretaris de wegbeheerders op om de export van teerhoudend asfaltgranulaat (TAG) te voorkomen door in contracten voor wegrenovatie te borgen dat het TAG daadwerkelijk op deze wijze wordt verwerkt.  

Door het Landelijk Monitoringsoverleg Teerasfalt (LMO TAG) is een Infografic opgesteld over teerhoudend asfaltgranulaat (TAG).

De Nederlandse Vereniging van Procesmatige Grondreinigingsbedrijven (NVPG) heeft een reactie ingediend op het recent gepubliceerde conceptrapport van de Adviesgroep STOER (Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen).

In dit rapport wordt onder meer geadviseerd om de stortbelasting voor verontreinigde grond volledig af te schaffen. Hoewel de NVPG het doel deelt om hergebruik van verontreinigde grond te stimuleren, plaatst de vereniging kritische kanttekeningen bij dit specifieke voorstel.

Reiniging boven storten

De NVPG onderschrijft het belang van het scherper maken van het reinigingstarief ten opzichte van het storttarief. Dit draagt bij aan het afbuigen van verontreinigde grond van de stortplaats naar reinigingsinstallaties – een ontwikkeling die naadloos aansluit bij de ambitie om te groeien naar een circulaire economie.

Afschaffen stortbelasting werkt averechts

Volgens de NVPG zal het volledig afschaffen van de stortbelasting echter een averechts effect hebben. "Een lagere stortbelasting maakt storten juist economisch aantrekkelijker dan reinigen", aldus de NVPG in haar reactie. Daarmee zou de voorgestelde maatregel contraproductief uitpakken voor zowel het milieu als het overheidsbeleid.

Pleidooi voor vrijstelling reinigingsresidu

De NVPG pleit in plaats daarvan voor herintroductie van de vrijstelling op de stortbelasting voor reinigingsresidu – het restant dat overblijft na het reinigen van verontreinigde grond. Omdat voor dit residu geen alternatief voorhanden is dan storten, is een vrijstelling een gerichte prikkel om verontreinigde grond te laten reinigen in plaats van direct te storten. De NVPG hoopt hiermee bij te dragen aan een effectiever en realistischer beleid ter bevordering van grondreiniging en hergebruik binnen de circulaire economie.